In verband met de maatregelen rond het Corona virus hebben we het geplande concert “Pelgrimage’ verschoven naar later.
Op 28 november zullen we in de avond om 20.15 uur een concert geven (zónder pauze) in de Grote Kerk te Naarden met het volgende programma:

E.Elgar – Serenade in e opus 20 voor strijkers
J.Röntgen – Serenade opus 14 voor blazers
V. d’Indy – Chanson for Wind Septet
J.S. Bach- 2e Suite voor solo fluit, strijkers en continuo

Kaarten reserveren – De Grote Kerk is volledig aangepast, zodat de bezoekers voldoende afstand van elkaar kunnen houden. Er kunnen maximaal 100 kaarten worden verkocht, dus wees er snel bij. Hoe? Je kunt een kaartje reserveren door €5,00 (meer mag ook) over te maken op ons rekeningnummer NL84 RABO 0383 7457 72 tnv St. Naardens Kamerorkest en vermelding van aantal kaartjes en uw naam.

2e Orkest Suite in b klein BWV 1067
Vanaf de eerste pompeuze maten tot aan de frivole uitsmijter is Bachs tweede suite een brok muziek om je vingers bij af te likken. En dat niet in de laatste plaats voor de fluitist, die zonder onderbreking mag laten horen wat zij waard is. De reeks hofdansen – rondeau, sarabande, bourrée, polonaise en menuet – voorafgegaan door een ouverture met typische, trage gepunteerde figuren, lijkt volkomen doordesemd van de Franse ‘esprit’. Maar de briljante fluitpartij bestempelt het stuk als niets minder dan een weelderig Italiaans soloconcert, waaronder Bach een degelijk Duits fundament heeft gelegd. Het stuk is ook een reis door de tijd, beginnend bij de nog zeventiende-eeuwse Lully-stijl en eindigend met het über-galante slotdeel. Of Bach ook werkelijk de bedoeling heeft gehad om met deze letterlijk badinerende afsluiter de draak te steken met het voorafgaande, kun je je afvragen. Maar zeker is dat de fluitist – naar alle waarschijnlijkheid de Franse virtuoos Pierre-Gabriel Buffardin – zich er kostelijk mee zal hebben vermaakt.

Bachs Suites (series gestileerde dansen) ademen de stijl en sfeer van de dansmuziek die Lully schreef aan het hof van Lodewijk de Veertiende. Nu noemen we zoiets een suite, destijds heette het Ouverture, naar het openingsdeel. Als hommage aan de koning begon zo’n opeenvolging van dansen met een statige opening (ouverture) met een opvallend gepunteerd ritme – waarop de koning kon binnenschrijden – gevolgd door een wat sneller, fugatisch middendeel.

Barokvioliste Mariëtte Holtrop zal de strijkers coachen om gewend te raken met de speciale baroktechniek en speelwijze. De solofluit wordt door ons orkestlid Thecla Hekker gespeeld en het clavecimbel door Laurent Hanssen.

Concert in Muziekcentrum vd Omroep met de 40e Symfonie van Mozart – 2018

Elgar – Serenade voor strijkers in e, op.20

Edward Elgar was de zoon van een pianostemmer, maar zijn vader vond een muzikale scholing niet nodig, en zo was Elgar als componist volstrekt op zichzelf aangewezen, zonder conservatoriumopleiding en met alleen maar een handvol vioollessen. Hij verdiende zijn brood met het geven van muzieklessen en het schnabbelen in orkesten. Op zijn eenendertigste trouwde hij met een pianoleerling, de veertigjarige Alice Roberts, dochter van een generaal. Daarmee werd hij ook een beetje de zoon van een generaal – een imago dat hij prefereerde boven dat van musicus. Alice zorgde voor Edward als een toegewijde moeder, en het is bijna aandoenlijk om te zien dat gedurende dit huwelijk de meesterwerken ontstonden die de zoon van de pianostemmer zouden transformeren tot Sir Edward Elgar: de eerste internationaal gevierde Britse componist sinds Henry Purcell.
Alice stimuleerde de jonge musicus zijn onmiskenbare talenten niet langer te verkwanselen met het componeren van populaire salonmuziekjes zoals ‘Salut d’amour’, maar te wijden aan belangwekkende orkeststukken en koorwerken.

Uit de berg stukken en stukjes die Elgar voorheen had neergepend, werden in 1892 drie opmerkelijke werkjes voor strijkers opgeduikeld, die, met hulp van Alice, werden omgetoverd tot de intieme driedelige ‘Serenade for String Orchestra in e’. Op de partituur van de versie voor twee piano’s van hetzelfde opus 20 bevestigt Elgar haar medewerking door te vermelden: “Braut (haar Duitse troetelnaam) helped a great deal to make these little tunes”. De serenade opent met een Allegro piacevole, vol onschuldige kwetsbaarheid en warme affectie. Misschien ooit gecomponeerd ten tijde van een van zijn eerdere, mislukte liefdes? Het zangerige Larghetto verraadt de invloed van Wagner. Met name diens ‘Siegfried Idylle’ klinkt in de tedere tonen door. Toch is de muziek onmiskenbaar Elgarian British, getuige het laatste deeltje, Allegretto, gelijk een lieflijk tochtje over de smalle heuvelachtige weggetjes van Worcestershire.

Toen Alice Elgar in 1920 overleed was Edward ontroostbaar en was het gedaan met de meesterwerken.

J. Röntgen – Serenade voor blaasinstrumenten in A-groot op. 14
“In den tijd, dien een ander noodig zou hebben om papier en potlood gereed te leggen, sleutels en voortekening op den notenbalk te schrijven, heeft hij, bij wijze van spreken, de expositie van een fuga voltooid”. Zo typeerde Sem Dresden in Het Muziekleven in Nederland sinds 1880 (1923) de manier van componeren van Julius Röntgen. En inderdaad: Röntgen was een uiterst vruchtbaar componist. Hij schreef voor alle bezettingen, in allerlei stijlen. Het componeren moet voor hem een eerste levensbehoefte zijn geweest. Geen gelegenheid ging voorbij of hij maakte een nieuwe compositie, die vervolgens, nog nat van de inkt, door de op dat moment aanwezige muzikale vrienden of familieleden ten doop werd gehouden.
Talloze composities werden in opdracht geschreven van, of opgedragen aan bekende musici uit zijn tijd, met wie hij dikwijls warme vriendschapsbanden onderhield. Misschien zou hij in onze tijd dit stuk wel voor de blazers van het Naardens Kamerorkest hebben geschreven?

V.d’Indy – Chanson for Wind Septet
Indy studeerde eerst korte tijd rechten, waarna hij naar het Parijse conservatorium ging waar hij les kreeg in piano en solfège. Vanaf 1872 kreeg hij les in orgel en compositie van César Franck in Parijs. Op zijn 22ste ontmoette hij Wagner in Bayreuth.

Na zijn studie en reizen naar Duitsland, werd hij organist in de Saint-Leu, daarna paukenist, koorleider en tenslotte dirigent van de Concerts Colonne. Na de dood van César Franck (1822-1890) erfde hij diens voorzitterschap van de Société Nationale de Musique en richtte zes jaar later samen met Charles Bordes en Alexandre Guilmant in 1896 de Scola Cantorum in Parijs op, een instelling waar de klassieke vormbeginselen in de geest van C. Franck werden onderwezen. Indy weigerde hiervoor een aanstelling als professor voor compositie aan het Parijse conservatorium.
Van 1914 tot 1929 doceerde hij orkestdirectie aan het Parijse conservatorium.

Hoewel Indy een groot aantal composities heeft geschreven ligt zijn historisch belang vooral in zijn werkzaamheden als docent en theoreticus en in de intensieve propaganda die hij in Frankrijk heeft gevoerd voor de muziek en de denkbeelden van Wagner en vooral voor de kunst van zijn leermeester César Franck.